logo

Q

De gang strekt zich uit als het konijnenhol in Alice in Wonderland. Hij moet moeite doen zijn pas niet te versnellen. Rustig lopen. Hij knijpt zijn vuisten samen. De gang is pikzwart op de grijze vloer na. Kleine, zilverkleurige spikkels reflecteren het tl-licht waardoor de vloer in de sinistere en klamme zwarte gang bijna ongepast feestelijk wordt. ‘Gefeliciteerd Q. Welkom in de honingraad.’

De woorden beuken door zijn hoofd. Heel even denkt hij dat ze niet bij hem horen, totdat de absolute werkelijkheid van het gesprek weer tot hem doordringt. Hij knijpt de woorden langzaam fijn en leidt zijn blik terug naar het einde van de gang. Achter zich voelt hij het zwart als een uitdijende wolk van niks en alles tegelijk. Hij dwingt zichzelf één voet langzaam voor de ander neer te zetten. Met ruime passen, als een pedante heerser die zijn keizerrijk komt bekijken. Hij knijpt zo hard in zijn vuisten dat zijn nagels zich inmiddels door het vlees van zijn hand hebben geboord en dieprood bloed langzaam over zijn huid loopt.

De deur aan het uiteinde van de gang is net zo zwart als de rest van de ruimte maar toch zichtbaar omdat hij door zijn geringe dikte een ongelijkheid in de muur veroorzaakt. Q staat stil en kijkt naar het zwart waar hij zich net nog naar naartoe wilde haasten. Hij hoort een zachte tik. De zwarte deur komt in beweging en trekt zich met een subtiele kraak zijwaarts terug in de muur. Het licht achter de deur is zo warm dat het bijna een waanbeeld lijkt. Van de zwarte ruimte met de reflecterende grijze vloer zet hij een stap naar voren in een wereld van omfloerst licht en sussende kleuren. Onder zich ziet hij een klassiek rood-beige tapijt. Het is zo hoogpolig dat zijn schoenen een stukje wegzakken en zachtjes verdwijnen in het weelderige, mollige stuk stof. Hij staart naar zijn vieze zwarte loafers die zich over lijken te geven aan de rust van het breisel en voelt dan een zachte windvlaag achter zich. Zijn spieren springen terug in overspannen staat en hij voelt zweetdruppels als kleine, natte pareltjes ongecontroleerd uit zijn voorhoofd schieten. Zijn hoofd zit vol met op hoog tempo draaiende hamstermolens aan gedachten waar geen touw meer aan vast te knopen is.

Hees en hoog gelach, als een angstig dier, suist onbeschaamd zijn gehoorkanaal binnen. Hij brengt zijn blik omhoog en richt zijn ogen op het eind van de beige, rode gang. Hij begint door het tapijt heen te ploeteren dat hem in al zijn opulentie vooral lijkt af te remmen. Drie. Dat was het. De derde etage. Hij probeert de nummers op glimmende bordjes die bij de kamers hangen te zien maar door zijn natte wimpers kan hij geen getal meer onderscheiden. Bij het laatste bordje stopt hij en plant zijn handen aan weerszijden van het glimmende materiaal. Hij brengt zijn hoofd naar voren. Hij kan het metaal van het bordje ruiken en als hij uitademt hult het zich even in een waas. 124. Hij is nu dus op de eerste etage. Nog twee stuks opwaarts. Zijn benen voelen opeens alsof ze in cement zijn gegoten en het zweet op zijn hoofd lijkt van plan een woest stromende waterval te vormen. Hij snuift hard om een beetje zuurstof zijn hersens in te drijven en haalt zijn handen weg bij het bordje. Hij plant zijn voeten weer in het tapijt en komt met de slepende tred van een luiaard in beweging. Achter hem zijn twee rode afdrukken op subtiele wijze onderdeel van het behang geworden.

“Q?”

Comments are closed.